Het is donker in de kamer. Regen glijdt in kronkelende stroompjes langs het raam. Ruud knipt het licht aan en zet twee koppen koffie op tafel. Hij opent de koektrommel. Betty zit op een kruk bij de boekenkast. Om haar heen stapels boeken, gesorteerd op alfabet. De stofdoek ligt in haar schoot. Ze heeft haar ogen gesloten.

“Er is koffie”, zegt Ruud.

Betty blijft zitten.

“Kom nou maar, ik doe het straks wel voor je.”

“Als ik wil dat je iets voor me doet, dan vraag ik dat”, snauwt Betty.

“Zo bedoel ik het niet.”

“Nee, maar je zegt het wel.”

“Kom nou koffie drinken.”

Ruud staat op om haar overeind te helpen, maar bedenkt zich en gaat weer zitten. Betty schuifelt met de kruk tot aan de bank en duwt zich aan de rugleuning omhoog.

“Pas toch op, zo meteen kieper je achterover.” Ruud staat weer op.

“Het lukt even niet.”

“Laat me dan toch een stok voor je maken.”

“Ik wil geen stok.”

Betty loopt langzaam naar de tafel en laat zich op de stoel zakken. Ruud gaat weer zitten. Hij biedt haar de koektrommel aan. Betty neemt er een koekje uit en legt het voor zich op tafel. Ruud neemt niets. Hij warmt zijn handen aan de koffie en kijkt naar buiten. Het isharder gaan regenen. Er staan plassen op het terras.

Dit moet stoppen, denkt Betty bij zichzelf, ik verdraag het niet meer. Mag dat? Mag ik zeggen dat ik het niet meer verdraag? Het is zo ondankbaar. Het is koppigheid zal hij zeggen. Het is uitputting. Ja, ik ben zo moe, dat is het, ik kan het er niet meer bij hebben, hem, zijn opeen geklemde kaken, zijn weg gedraaide blik.

“Wat doe ik verkeerd,” vraagt Ruud.

Hij zet zijn kopje op tafel en schuift zijn stoel naar achter. Hij hoedt zich voor wat gaat komen. Hij weet waar dit naartoe gaat. Toch zegt hij het:

“Als ik je probeer te helpen, krijg ik een snauw. Als ik het niet doe, een verwijt. Ik weet niet wat je wil.”

“Ruud, ik ben moe.”

“Laat me je dan helpen.”

“Laat me nou maar.”

“Oké.”

Ruud kijkt naar buiten. De regenton bij het schuurtje loopt over. De courgettes in de moestuin verzuipen.

“Zeg dan wat ik verkeerd doe.”

“Niets.”

“Ik zie toch dat je boos bent.”

“Ik wil het er niet over hebben, Ruud, je begrijpt het niet. Je begrijpt me niet.”

“Leg het me dan uit.”

“Het heeft geen zin.”

“Gaat het over de vaatwasser, dat ik die niet had uitgeruimd vanochtend?”

“Die was niet uitgeruimd, nee. Alweer niet.”

“Hoezo alweer niet. Ik ruim elke dag de vaatwasser uit.”

“Ik heb het deze week al twee keer zelf gedaan.”

“Omdat je niet kan wachten tot ik het doe.”

“Ik heb die spullen nodig, ik ga niet wachten.”

“Als je iets nodig hebt, vraag het dan, dan doe ik het gewoon.”

“Ik ga het echt niet elke dag aan je vragen, Ruud, we hebben dit al zo vaak besproken. Je weet dat het belangrijk voor me is.”

“Dat weet ik. Daarom hou ik me er aan. Ik doe het op mijn eigen moment, dat moet toch kunnen.”

“Dat vind ik prima.”

“Nee, je vindt het niet prima, ik hoor je toch met de deurtjes van de keukenkasten slaan.

“Omdat het me moeite kost, ik heb te doen met een lijf dat niet meer wil, het is me soms te veel.”

“Daarom wil ik het voor je doen. Als je me de kans geeft.”

“Je begrijpt het niet.”

“Weet je Betty, ik doe ontzettend mijn best om je te begrijpen en al die dingen te doen die jij niet meer kunt. Echt waar. Je lijkt het niet te zien, je ziet alleen wat er niet goed gaat.Als ik één keer iets vergeet, krijg ik meteen de volle laag. En al die keren dat het goed gaat doen er niet toe.”

Ruud staat op. Er komen steeds meer woorden, hij kan het niet meer stoppen. Hij weet, zo meteen komen de tranen, als zijn keel zich dichtknijpt, als het gezicht van Betty steeds leger wordt, stiller, als hij haar weer verliest. Hij had moeten zwijgen. Hij had zijn frustratie moeten verbijten. Hij had haar met rust moeten laten.

Betty ziet de tranen. Er is zoveel machteloosheid. In hen, tussen hen. En hoe het komt weet ze niet, maar ze blijft kijken. Deze keer laat ze zich niet naar binnen trekken, ze laat zich niet overspoelen door de uitzichtloosheid, die ze zo goed kent, die zee van eenzaamheid, ontoereikendheid.

“De ziekte wil bezit van me nemen,” zegt ze. “Ik voel hoe mijn lichaam het stukje bij beetje opgeeft. Alles in mij verzet zich ertegen, maar het is niet te keren. Sommige dagen ben ik alleen maar aan het vechten, sommige dagen klamp ik me vast aan wat het leven me nog te bieden heeft. Het kost me zoveel, ik weet dat ik somsniets meer over heb voor jou. Dan kan ik het niet opbrengen om aardig te zijn, om naar je te luisteren, om geduldig op je te wachten. Als ik jou zie worstelen met jezelf, voelt dat, het is rot om te zeggen, het voelt als een last. Ik denk dan: we kunnen beter uit elkaar gaan, ik kan het niet meer opbrengen, het is op. We zijn beter af zonder elkaar. Het spijt me. Zo is het soms.”

“Ik wou dat ik iets voor je kon doen.”

“Leen me je tranen. Laten we samen huilen.”