Sander ruimt het speelgoed op en veegt de kruimels van de bank. Hij zet een pot thee op tafel en steekt een kaarsje aan. Michelle komt zuchtend van de trap:

“Ze slapen. Ik ben kapot.”

“Ik heb een kopje thee voor je,” zegt Sander, “kom even bij me zitten.”

“Dank je,” zegt Michelle, “ik neem de thee mee naar de werkkamer, ik moet nog wat voorbereiden voor morgen.”

“Is het niet genoeg geweest voor vandaag,” zegt Sander, “kom gezellig even bij me zitten, we hebben elkaar nauwelijks gesproken.”

“Ik weet het, sorry, maar ik moet dit echt doen.”

“Ik zal je schouders masseren.”

“Dat is heel lief, maar het gaat me meer rust geven als ik mijn werk klaar heb.”

Sander reikt naar haar uit: “Please, schatje, ik mis je.”

Michelle blijft staan en kijkt hem aan: “Het spijt me Sander, als ik een drukke dag heb zoals vandaag, dan heb ik geen puf meer om er ook nog voor jou te zijn.”

“Jij hoeft niets te doen, ik ben er voor jou, zeg maar, wat zou je fijn vinden.”

“Nou, als je dat zou willen, er ligt nog wasgoed dat gestreken moet worden.”

“Dat is niet wat ik bedoel, dat weet je best.”

“Jij hebt makkelijk praten.”

“Hoezo?”

“Jij ploft gewoon lekker op de bank als de kinderen naar bed zijn, maar ik heb een hele lijst van dingen in mijn hoofd die nog moeten gebeuren. Ik kan dat niet, zo de boel de boel laten.”

“Bedoel je nou dat ik mijn taakjes niet doe. Ik heb net opgeruimd. Ik heb de bakken buiten gezet.”

“Dat soort kleine dingen, ja, dat doe je wel, gelukkig maar, anders moest ik dat er ook nog bij doen. Sander, ik loop over, zie je dat niet, ik probeer de boel hier overeind te houden, ik moet alle ballen in de lucht houden en jij doet af en toe een taakje als je daar zin in hebt.”

“Dat is niet eerlijk. Als ik meer moet doen, dan moet je dat gewoon vragen.”

“Meen je dat? Moet ik ook nog gaan bedenken wat jij moet doen, dan heb ik het al lang zelf gedaan.”

“Daar zijn we weer. Dit gesprek hebben we al zo vaak gevoerd en elke keer zeg ik: ik wil best helpen, maar dat is blijkbaar niet wat je wil. Omdat ik het niet doe zoals jij het zou doen of niet op het moment dat jij het zou doen. Weet je Michelle, ik weet niet wat je wil, ik doe mijn best, maar ik weet het gewoon niet. En intussen zit ik hier elke avond alleen op de bank omdat jij de tijd voor jezelf nodig hebt of omdat je te moe bent en niet wil praten. Ik ben bang dat we zo uit elkaar groeien dat we elkaar straks niet meer kunnen vinden.”

“Ik weet het ook niet, Sander, ik heb geen keuze. We hebben de kinderen, we hebben dit huishouden, ik heb mijn werk. Ik heb je zo vaak proberen uit te leggen dat het te veel voor me is en dan zeg jij: het valt wel mee, je moet je niet zo druk maken, zal ik je schouders even masseren, maar dat helpt niet. Ik moet me er wel druk over maken omdat jij dat niet doet, begrijp je dat?”

“Eerlijk gezegd? Nee, ik begrijp het niet. Ik denk dat jouw leven een stuk makkelijker zou zijn als je je niet zo druk zou maken over dingen die vanzelf ook goed komen.”

"Zou je het wíllen begrijpen?”

“Natuurlijk.”

“Echt?”

“Ja, ik wil weten hoe het voor jou is. En waarom het steeds maar niet lukt om een beter team te worden, wij samen.”

“Dan gaan we daar de tijd voor nemen. Maar niet nu.” Michelle loopt naar de werkkamer.

“Michelle?”

“Regel jij maar iets in de agenda. Welterusten voor straks.”